Vergeten geneeskruiden

Waarom raken geneeskrachtige planten in vergetelheid?

Veranderde inzichten Weinig modern onderzoek Nieuwe veiligheidskennis Waardevol voor insecten
Witte dovenetel als voorbeeld van een vergeten geneeskrachtige plant

Tijdens mijn wandelingen kom ik regelmatig planten tegen die vroeger een vaste plek hadden in de kruidengeneeskunde. Witte dovenetel, boerenwormkruid, grote wederik en klein hoefblad bijvoorbeeld. Ooit waren het bekende geneeskrachtige planten, maar tegenwoordig lopen de meeste mensen eraan voorbij.

Dat een plant tegenwoordig minder wordt gebruikt, betekent niet automatisch dat hij nooit enige geneeskrachtige waarde heeft gehad. Onze kennis is veranderd. Van sommige planten weten we nu dat ze stoffen bevatten die bij verkeerd of langdurig gebruik schadelijk kunnen zijn. Andere planten zijn nauwelijks modern onderzocht of werden vervangen door kruiden waarvan de werking en veiligheid beter zijn beschreven.

Ook de manier waarop we naar gezondheidsklachten kijken, is veranderd. Waar vroeger één kruid algemeen bij hoest, darmklachten of vrouwenklachten werd gebruikt, kijken we tegenwoordig gerichter naar het soort klacht en de mogelijke oorzaak ervan.

Voor mensen zijn sommige planten misschien minder belangrijk geworden als geneeskrachtige plant. Voor bijen, hommels, vlinders en andere insecten kunnen ze nog steeds een belangrijke voedselbron zijn.

Juist daarom vind ik vergeten geneeskrachtige planten zo interessant. Ze vertellen niet alleen iets over oude gebruiken, maar ook over de manier waarop de kruidengeneeskunde zich door de jaren heen heeft ontwikkeld.

Vergeten geneeskrachtige planten in het kort

  • Een vergeten geneeskrachtige plant is niet automatisch een onwerkzame plant.
  • Sommige planten verdwenen door nieuwe inzichten over giftigheid en veiligheid.
  • Andere planten raakten uit beeld doordat er weinig modern onderzoek naar werd gedaan.
  • Soms kwamen beter onderzochte of gemakkelijker toepasbare kruiden ervoor in de plaats.
  • Traditioneel gebruik vertelt iets over oude kennis, maar bewijst niet automatisch dat een plant veilig of werkzaam is.
  • Voor insecten en andere dieren kunnen deze planten nog steeds bijzonder waardevol zijn.

Een plant uit de natuur zelf gebruiken?

Gebruik een zelfgeplukte plant pas wanneer je zeker weet welke soort je voor je hebt. Niet iedere plant die vroeger werd gebruikt, is geschikt voor zelfzorg. Houd ook rekening met dosering, medicijngebruik en mogelijke wisselwerkingen.

Lees meer over veilig gebruik van kruiden →

Waarom raakten deze geneeskrachtige planten in vergetelheid?

Een plant verdwijnt meestal niet om één duidelijke reden uit de kruidengeneeskunde. Vaak spelen verschillende ontwikkelingen tegelijkertijd een rol.

Een geneeskrachtige plant kan naar de achtergrond verdwijnen doordat:

  • nieuwe veiligheidsrisico’s bekend zijn geworden;
  • de plant nauwelijks modern is onderzocht;
  • andere kruiden beter zijn onderzocht;
  • een ander kruid gemakkelijker te doseren is;
  • de samenstelling sterk kan verschillen per groeiplaats of oogstmoment;
  • de juiste bereidingswijze of dosering onvoldoende bekend is;
  • we klachten tegenwoordig gerichter onderzoeken.

Soms werd een plant vervangen door een kruid met een duidelijkere en beter onderbouwde toepassing. In andere gevallen raakte een plant vooral uit beeld doordat er weinig onderzoek of commerciële belangstelling voor bestond.

Het is daarom te eenvoudig om te zeggen dat een vergeten plant niet werkt. Soms weten we vooral onvoldoende over de precieze werking, dosering en veiligheid.

Witte dovenetel heet officieel Lamium album. De bladeren lijken op die van een brandnetel, maar witte dovenetel heeft geen brandharen en prikt dus niet.

De plant is herkenbaar aan de witte lipbloemen die in kransen rond de vierkante stengel staan. Veel mensen kennen de plant nog uit hun jeugd: de bloemen werden geplukt om het kleine beetje zoete nectar eruit te zuigen.

Traditioneel werden vooral de bloemen en het bloeiende bovengrondse kruid gebruikt.

Witte dovenetel werd onder andere traditioneel toegepast bij:

  • een geïrriteerde keel;
  • lichte luchtwegklachten;
  • lichte klachten van de urinewegen;
  • witte vloed en andere traditionele vrouwenklachten;
  • lichte huidirritatie en kleine oppervlakkige wondjes.

De plant bevat onder andere slijmstoffen, looistoffen, iridoïden en flavonoïden. De slijmstoffen passen bij het traditionele gebruik voor geïrriteerde slijmvliezen. Looistoffen hebben een samentrekkende werking.

Deze inhoudsstoffen maken de traditionele toepassingen aannemelijk, maar er is onvoldoende modern klinisch onderzoek om harde uitspraken te doen over de werkzaamheid.

Witte dovenetel met witte lipbloemen

Witte dovenetel lijkt door de bladvorm op brandnetel, maar heeft geen brandharen. De witte bloemen staan in kransen rond de stengel.

Witte dovenetel is niet plotseling afgekeurd en ook niet door één specifiek ander kruid vervangen. De plant is vooral langzaam naar de achtergrond verdwenen.

Er is maar beperkt modern onderzoek naar witte dovenetel gedaan. Daardoor bestaat er minder zekerheid over de beste dosering, bereidingswijze en toepassing.

Voor een geïrriteerde keel en droge luchtwegen worden tegenwoordig bijvoorbeeld vaker slijmstofrijke kruiden gebruikt zoals heemst en weegbree.

Voor luchtwegklachten waarbij vastzittend slijm een rol speelt, wordt eerder gekozen voor een aromatisch kruid zoals tijm.

Bij klachten van de urinewegen heeft guldenroede een duidelijkere plaats gekregen. Bij vaginale afscheiding of irritatie wordt tegenwoordig eerst gekeken naar de oorzaak, omdat een infectie of andere aandoening medisch behandeld moet worden.

Witte dovenetel is dus niet noodzakelijk waardeloos geworden. Er zijn tegenwoordig vooral kruiden beschikbaar waarvan de toepassing en veiligheid beter zijn beschreven.

Voor hommels is de plant nog steeds belangrijk. Met hun lange tong kunnen zij de nectar bereiken die diep in de lipbloemen ligt.

Boerenwormkruid heet officieel Tanacetum vulgare. De plant is herkenbaar aan de gele, knoopvormige bloemhoofdjes en het sterk ingesneden, varenachtige blad.

Zoals de Nederlandse naam al aangeeft, werd boerenwormkruid vroeger gebruikt tegen darmwormen.

Daarnaast werd de plant traditioneel toegepast:

  • als bitter kruid voor de spijsvertering;
  • bij een opgeblazen gevoel;
  • bij menstruatieklachten;
  • uitwendig tegen vlooien en luizen;
  • om bepaalde insecten op afstand te houden.

Boerenwormkruid heeft een sterke, kruidige geur. De etherische olie van de plant kan verschillende stoffen bevatten, waaronder thujon.

Juist die etherische olie is de belangrijkste reden waarom boerenwormkruid tegenwoordig niet meer als veilige plant voor inwendig zelfzorggebruik wordt beschouwd.

Boerenwormkruid met gele knoopvormige bloemhoofdjes

Boerenwormkruid herken je aan de gele, knoopvormige bloemhoofdjes en het diep ingesneden, varenachtige blad.

Boerenwormkruid kan thujon bevatten. Thujon is een natuurlijke plantenstof die bij een te hoge blootstelling invloed kan hebben op het centrale zenuwstelsel.

Een te hoge inname kan onder andere leiden tot:

  • misselijkheid en braken;
  • buikklachten;
  • onrust en verwardheid;
  • spiertrillingen;
  • toevallen;
  • schade aan organen bij ernstige vergiftiging.

De hoeveelheid thujon kan bovendien verschillen per plant, groeiplaats, oogstmoment en bereidingswijze. Daardoor is bij zelfgeplukt plantenmateriaal niet betrouwbaar vast te stellen hoeveel van deze stof wordt ingenomen.

Boerenwormkruid past daarom niet bij veilig inwendig zelfzorggebruik. Maak er geen thee, tinctuur of ander middel voor inwendig gebruik van.

De plant kan in de natuur wel waardevol zijn. De platte gele bloemhoofdjes worden bezocht door verschillende vliegen, kevers, bijen en andere insecten.

Een plant kan dus ongeschikt zijn voor medicinaal gebruik en tegelijkertijd ecologische waarde hebben.

Grote wederik heet officieel Lysimachia vulgaris. De plant groeit vooral op vochtige plaatsen, zoals langs sloten, oevers, natte bermen en moerassige graslanden.

De gele bloemen staan in losse pluimen bovenaan de plant. De bladeren staan tegenover elkaar of met meerdere bladeren in een krans rond de stengel.

Grote wederik werd traditioneel gebruikt vanwege het gehalte aan looistoffen. Looistoffen hebben een samentrekkende werking op huid en slijmvliezen.

De plant werd vroeger onder andere toegepast:

  • bij lichte diarree;
  • bij vochtige of geïrriteerde slijmvliezen;
  • uitwendig bij kleine oppervlakkige wondjes;
  • in spoelingen en kompressen;
  • bij lichte mond- en keelirritatie.

De traditionele toepassingen passen bij een looistofrijke plant, maar er is maar weinig modern klinisch onderzoek naar grote wederik.

Grote wederik met gele bloemen op een vochtige groeiplaats

Grote wederik groeit vooral langs sloten, oevers en andere vochtige plekken. De gele bloemen staan in losse pluimen bovenaan de plant.

Naar grote wederik is maar weinig modern onderzoek gedaan. Daardoor bestaat er onvoldoende zekerheid over de precieze werking, de beste dosering en de veiligheid bij langdurig inwendig gebruik.

Andere looistofrijke planten zijn bekender gebleven en worden tegenwoordig vaker genoemd binnen de kruidengeneeskunde. Voorbeelden zijn agrimonie, tormentil en eikenbast.

Dat betekent niet dat grote wederik geen werkzame inhoudsstoffen bevat. De plant is vooral naar de achtergrond verdwenen omdat andere kruiden een duidelijkere en beter beschreven toepassing kregen.

In de natuur heeft grote wederik bovendien een bijzondere functie. De bloemen leveren niet alleen stuifmeel, maar ook bloemenolie.

Die bloemenolie wordt verzameld door gespecialiseerde bijen. De gewone slobkousbij is voor haar voortplanting sterk afhankelijk van planten uit de wederikfamilie.

Voor deze bijensoort is grote wederik dus allesbehalve vergeten.

Klein hoefblad heet officieel Tussilago farfara. De gele bloemen verschijnen vroeg in het voorjaar, meestal nog voordat de bladeren zichtbaar zijn.

Later ontwikkelen zich grote, enigszins hoefvormige bladeren. Aan die vorm dankt de plant zijn Nederlandse naam.

Klein hoefblad was eeuwenlang een bekende plant bij hoest. Zelfs de Latijnse naam verwijst naar deze traditionele toepassing.

Vooral het blad werd gebruikt. De slijmstoffen in de plant werden traditioneel ingezet om keel en luchtwegen te verzachten.

Klein hoefblad werd onder andere toegepast bij:

  • droge prikkelhoest;
  • een geïrriteerde keel;
  • heesheid;
  • lichte irritatie van de luchtwegen;
  • hoest waarbij verzachting gewenst was.

De aanwezigheid van slijmstoffen past bij deze toepassing. Toch wordt gewoon, ongecontroleerd klein hoefblad tegenwoordig niet meer aangeraden voor inwendig zelfzorggebruik.

Klein hoefblad met gele bloemen in het vroege voorjaar

Klein hoefblad bloeit vroeg in het voorjaar. De gele bloemen verschijnen meestal voordat de hoefvormige bladeren zichtbaar zijn.

Klein hoefblad kan pyrrolizidine-alkaloïden bevatten. Sommige van deze natuurlijke plantenstoffen kunnen na omzetting in het lichaam schadelijk zijn voor de lever.

Het risico hangt onder andere samen met:

  • de hoeveelheid die wordt ingenomen;
  • de duur van het gebruik;
  • de samenstelling van het plantenmateriaal;
  • de gebruikte plantensoort en variëteit;
  • de gevoeligheid van de gebruiker.

De hoeveelheid pyrrolizidine-alkaloïden kan verschillen per plant, groeiplaats en bereiding. Bij zelfgeplukt materiaal is niet te zien of te meten hoeveel van deze stoffen aanwezig zijn.

Gewoon, ongecontroleerd klein hoefblad wordt daarom niet meer aangeraden voor inwendig zelfzorggebruik.

Er bestaan speciaal geteelde variëteiten waaruit deze stoffen grotendeels zijn verwijderd, maar dat maakt zelfgeplukt klein hoefblad niet automatisch veilig.

Voor het verzachten van keel en luchtwegen worden tegenwoordig eerder kruiden gekozen zoals heemst, weegbree en IJslands mos.

Voor vroege insecten kan klein hoefblad wel bijzonder belangrijk zijn. De plant bloeit op een moment waarop nog maar weinig andere bloemen nectar en stuifmeel leveren.

Dat er weinig modern onderzoek naar een plant is gedaan, betekent niet automatisch dat de traditionele toepassing onjuist was.

Traditioneel gebruik kan aanwijzingen geven over mogelijke eigenschappen van een plant. Het laat zien hoe mensen de plant door de eeuwen heen hebben toegepast.

Tegelijkertijd ontbreekt bij veel vergeten planten voldoende zekerheid over:

  • de precieze werking;
  • de werkzame dosering;
  • de beste bereidingsvorm;
  • de veiligheid bij langdurig gebruik;
  • mogelijke wisselwerkingen met medicijnen;
  • gebruik tijdens zwangerschap en borstvoeding;
  • gebruik bij kinderen en kwetsbare ouderen.

Traditioneel gebruik is daarom waardevolle historische informatie, maar vervangt geen goed onderzoek naar werking en veiligheid.

Sommige planten verdienen mogelijk meer onderzoek. Andere planten zijn juist terecht uit het dagelijks gebruik verdwenen omdat de mogelijke risico’s te groot zijn.

Binnen de moderne kruidengeneeskunde wordt steeds gerichter gekeken naar het soort klacht, de oorzaak, de persoon en de eigenschappen van een plant.

Bij hoest wordt bijvoorbeeld onderscheid gemaakt tussen:

  • droge prikkelhoest;
  • vastzittend slijm;
  • een geïrriteerde keel;
  • hoest door allergische prikkeling;
  • hoest die samenhangt met een luchtweginfectie;
  • langdurige hoest die medisch onderzocht moet worden.

Eén algemeen kruid bij hoest past daardoor niet automatisch bij iedere vorm van hoest.

Hetzelfde geldt voor vrouwenklachten, darmklachten en klachten van de urinewegen. Eenzelfde symptoom kan verschillende oorzaken hebben en vraagt daarom niet altijd om hetzelfde kruid.

Kruiden zoals heemst, tijm, guldenroede en weegbree hebben een duidelijkere plaats gekregen omdat hun toepassing specifieker wordt omschreven en er meer informatie beschikbaar is over bereiding, dosering en veiligheid.

Een vergeten plant is dus niet altijd vervangen omdat hij niets deed. Soms paste een ander kruid eenvoudig beter binnen de manier waarop we tegenwoordig naar klachten en veiligheid kijken.

Voor mensen zijn sommige planten misschien minder belangrijk geworden binnen de kruidengeneeskunde. Voor insecten geldt dat niet.

Witte dovenetel levert nectar aan hommels die met hun lange tong diep in de bloemen kunnen komen.

De gele bloemhoofdjes van boerenwormkruid worden bezocht door verschillende vliegen, kevers, bijen en andere kleine insecten.

Grote wederik levert naast stuifmeel ook bloemenolie aan gespecialiseerde bijensoorten, waaronder de gewone slobkousbij.

Klein hoefblad bloeit vroeg in het voorjaar en kan daardoor voedsel leveren op een moment waarop nog maar weinig andere planten bloeien.

Niet iedere plant uit de natuur hoeft voor ons een directe geneeskrachtige toepassing te hebben om waardevol te zijn. Soms is laten staan de beste toepassing.

Pluk een plant uit de natuur alleen wanneer je met zekerheid weet welke soort je voor je hebt.

Houd daarnaast rekening met:

  • de beschermde status van de plant;
  • de plek waar de plant groeit;
  • vervuiling langs drukke wegen;
  • bespoten landbouwgrond;
  • uitlaatplekken van honden;
  • de hoeveelheid planten op de groeiplaats;
  • de waarde van de bloemen voor insecten;
  • de mogelijkheid dat je de plant verwart met een andere soort.

Pluk nooit alle bloemen of planten op één plek. Laat altijd voldoende staan voor insecten, zaadvorming en het voortbestaan van de plant.

Oogst alleen wat je daadwerkelijk gebruikt en vermijd kwetsbare of kleine groeiplaatsen.

Bij planten die niet geschikt zijn voor veilig zelfzorggebruik, zoals boerenwormkruid en ongecontroleerd klein hoefblad, is laten staan de beste keuze.

Sinds ik mij verder verdiep in geneeskrachtige planten, kijk ik tijdens een wandeling anders om mij heen. Een gewone berm blijkt vol planten te staan met een geschiedenis.

De ene plant wordt nog dagelijks in de kruidengeneeskunde gebruikt. De andere is bijna helemaal vergeten.

Dat maakt die vergeten planten niet minder interessant. Ze laten zien hoe mensen vroeger met planten werkten, maar ook hoe kennis over werking en veiligheid zich blijft ontwikkelen.

Soms werd een plant vervangen door een veiliger of beter onderzocht kruid. Soms verdween hij vooral omdat niemand er nog onderzoek naar deed. En soms werd duidelijk dat het risico niet opwoog tegen de mogelijke voordelen.

Misschien hoeven we deze planten niet opnieuw allemaal te gaan gebruiken. Alleen al weten welk verhaal er achter een plant schuilgaat, geeft een wandeling door de natuur een heel andere betekenis.

Wat kunnen vergeten geneeskrachtige planten ons nog leren?

Traditionele kennis vertelt ons hoe mensen een plant door de eeuwen heen hebben gebruikt. Dat kan waardevolle aanwijzingen geven over mogelijke eigenschappen van een plant.

Wanneer een plant in verschillende streken en gedurende een lange periode voor vergelijkbare klachten werd toegepast, is dat interessant. Het kan een reden zijn om de inhoudsstoffen en werking verder te onderzoeken.

Traditioneel gebruik bewijst echter niet automatisch dat een plant:

  • werkzaam is bij iedere gebruiker;
  • geschikt is voor iedere klacht;
  • veilig is bij langdurig gebruik;
  • veilig gecombineerd kan worden met medicijnen;
  • geschikt is tijdens zwangerschap of borstvoeding;
  • geschikt is voor kinderen of kwetsbare ouderen.

Vroeger waren bijwerkingen, leverbelasting en wisselwerkingen vaak minder goed bekend. Ook waren er nog geen gestandaardiseerde extracten of betrouwbare analyses van de hoeveelheid werkzame en mogelijk schadelijke stoffen.

Traditionele kennis en modern onderzoek hoeven elkaar daarom niet uit te sluiten. Ze kunnen elkaar juist aanvullen, zolang duidelijk blijft waar historische ervaring ophoudt en wetenschappelijke onderbouwing begint.

Planten maken inhoudsstoffen niet speciaal voor menselijk gebruik. Ze produceren deze stoffen onder andere om zichzelf te beschermen tegen vraat, schimmels, bacteriën en andere bedreigingen.

Sommige plantenstoffen kunnen voor ons nuttige eigenschappen hebben, terwijl dezelfde stof bij een te hoge dosering schadelijk kan zijn.

Het verschil tussen een bruikbare en een schadelijke toepassing hangt vaak samen met:

  • de juiste plantensoort;
  • het gebruikte plantendeel;
  • de bereidingswijze;
  • de dosering;
  • de duur van het gebruik;
  • de gezondheidstoestand van de gebruiker;
  • combinaties met medicijnen en andere kruiden.

Bij boerenwormkruid speelt bijvoorbeeld de etherische olie met onder andere thujon een belangrijke rol bij het veiligheidsrisico. Bij klein hoefblad gaat het vooral om pyrrolizidine-alkaloïden die schadelijk kunnen zijn voor de lever.

Dat deze planten in de natuur groeien en vroeger werden gebruikt, maakt ze dus niet automatisch geschikt voor zelfzorg.

Onderzoek naar kruiden is ingewikkelder dan onderzoek naar één afzonderlijke stof. Een plant bevat vaak tientallen tot honderden verschillende inhoudsstoffen.

De samenstelling kan veranderen door:

  • de soort en ondersoort;
  • de bodem waarop de plant groeit;
  • zonlicht en hoeveelheid neerslag;
  • het seizoen en het oogstmoment;
  • het gebruikte plantendeel;
  • de manier van drogen en bewaren;
  • de gekozen bereidingswijze.

Een thee, tinctuur, poeder en droogextract bevatten daardoor niet automatisch dezelfde verhouding aan stoffen.

Ook is het kostbaar om groot klinisch onderzoek uit te voeren. Bij een plant waarop geen patent kan worden verkregen, is er vaak minder financiële prikkel om uitgebreid onderzoek te bekostigen.

Weinig onderzoek betekent dus niet per definitie dat een plant geen werking heeft. Het betekent vooral dat we voorzichtig moeten zijn met stellige gezondheidsclaims.

Kruiden zijn niet bedoeld om klachten te verbergen waarvoor medisch onderzoek nodig is.

Neem in ieder geval contact op met de huisarts bij:

  • ernstige, plotselinge of snel verergerende klachten;
  • benauwdheid of pijn op de borst;
  • langdurige of onverklaarde hoest;
  • bloed bij urine, ontlasting of opgehoest slijm;
  • hevige buikpijn;
  • aanhoudende diarree of uitdrogingsverschijnselen;
  • geelzucht of andere mogelijke tekenen van leverproblemen;
  • onverklaarde vaginale afscheiding, geur, jeuk of pijn;
  • koorts die aanhoudt of samengaat met ernstige klachten;
  • klachten bij jonge kinderen, kwetsbare ouderen of tijdens zwangerschap.

Ook bij langdurige klachten is het belangrijk eerst te laten onderzoeken wat de oorzaak is. Een plant die traditioneel bij een bepaald symptoom werd gebruikt, behandelt niet automatisch de onderliggende oorzaak.

Belangrijk bij het gebruik van zelfgeplukte planten

Gebruik een zelfgeplukte plant alleen wanneer je de soort met zekerheid hebt vastgesteld en weet welk plantendeel wordt gebruikt. Sommige planten lijken sterk op giftige soorten.

Boerenwormkruid en zelfgeplukt klein hoefblad zijn niet geschikt voor inwendig zelfzorggebruik. Overleg bij medicijngebruik, zwangerschap, borstvoeding, leverproblemen of chronische aandoeningen altijd eerst met een deskundige of arts.

Lees meer over kruiden veilig gebruiken →

De historische toepassingen in deze blog zijn beschreven als traditionele toepassingen. Ze zijn niet bedoeld als medische claim of als advies om de genoemde planten zelf te gebruiken.

Vergeten, maar niet zonder betekenis

Witte dovenetel, boerenwormkruid, grote wederik en klein hoefblad laten ieder op hun eigen manier zien waarom planten uit het dagelijks gebruik kunnen verdwijnen.

Soms ontstaat er nieuwe kennis over risico’s. Soms worden andere kruiden beter onderzocht. En soms verdwijnt een plant vooral uit beeld doordat tradities en leefgewoonten veranderen.

Hun geschiedenis blijft waardevol. Niet omdat we ieder oud gebruik opnieuw moeten overnemen, maar omdat deze planten laten zien hoe kennis over natuur, gezondheid en veiligheid zich voortdurend ontwikkelt.